Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mogelik om in dezen vastomlijnde voorschriften te geven.

Meervoud.

In één ‘geval’ stemmen noord en zuid volkomen overeen: in het meervoud. Daar zowel bij de naamwoorden als bij de voornaamwoorden de genusonderscheiding tot het enkelvoud beperkt is, is het geheel in strijd met het nederlandse taalsysteem — niet alleen van de koinê, maar ook van alle dialekten — om ‘vrouwelike’ meervouden anders te behandelen dan mannelike of onzijdige. Weliswaar duidt men in sommige dialekten alle meervouden met heur aan, of met een soortgelijke vorm: „De boeren wisten heur zin door te zetten”; maar er is geen enkel nederlands dialekt, waarin haar (heur) tot vrouwelike woorden of vrouwelike personen beperkt zou zijn, tegenover een mannelik hun (hen). Zo’n genustegenstelling is niet alleen onnederlands, maar zelfs ongermaans; het is enkel een klassicisties verzinseltje, van hetzelfde ontaalkundige kaliber als de gemeensiachtigheid.

Bij de beste schrijvers treft men dan ook niet alleen zuiver-nederlands aan „De kerken beheersen met hun omhoog-rijzende massa’s de stad”. „Al deze vragen vinden zo hun oplossing” — maar ook: „Overal staken de dames hun parasols op”. „De vrouwen kwamen op voor hun rechten”. Alleen suggereren namen van vrouwelike personen eerder de grammatika-regel die ‘haar’ eist, en zal men dus vooral in krantenen andere klicheestijl het onnederlandse ‘haar’ dikwels tegenkomen, zelfs bij onzijdige woorden: „De meisjes trokken met haar vaandels door de stad”. „De vrouwtjes waren wat in haar schik”. Maar uit het systeemloos gebruik van hun en haar door elkaar, en zelfs naast elkaar in eenzelfde zin, blijkt voldoende dat de onnederlandse leer de nederlandse natuur hier niet zo maar kan verdringen: „In hare korrespondentie gewaagden

Sluiten