Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ouwens wreef zich in de oogen. Uit de Piersteeg en uit de Galopstraat tegelijk kwamen dicht tezamen gedrongen troepjes van verkleede menschen, zooals men lang geleden op Vastenavond zag, in rijen arm aan arm, allen vooraf gegaan door zoo’n kerel met een dikken kop. Daar waren er twee als wildeman verkleed met een krans om de heupen en een knuppel in de hand, daar was een visscher, een jager, een Turksche boer, een man met een gouden hoogen hoed, een andere met een gouden sigaar zoo groot als hijzelf, twee witte paarden, een roode en een gouden leeuw, drie wandelende hoefijzers en een krakeling. Er was zeker ergens een partijtje geweest, zonder dat Ouwens er van gehoord had. Hoe konden de menschen zoo iets verzinnen.

Hij dacht er wel over om dichter bij te gaan en er het zijne van te hebben, maar hij bleef staan want hij voelde zich wat stijf in de beenen, alsof er eikenhout in zat. Bovendien zouden ze hem maar in de maling nemen en daar hield hij niet van. En terwijl hij zoo stond en keek, zag hij opeens een persoon naast zich, dien hij dadelijk herkende in het malle witte pak van Pierrot. Het was de verloren zoon van den

Sluiten