Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

burgemeester, een dolleman, al sinds lang uit de stad weggegaan. Zoo, zei de waker, is de jongeheer weer terug? Ja man, was het antwoord met een bokkesprong, als het hier eindelijk wat vroolijk wordt en er weer vastenavond wordt gevierd, ben ik er bij. Pak je ratel op en kom mee, dan leef je nog wat langer.

En voor hij het wist had die guit hem bij den arm en sleurde hem voort dwars de markt over naar die feestelijke bende. Hier hebben jullie onzen waker, riep hij, die al voor eergisteren begraven had moeten zijn van de verveling, maar als hij met ons meedoet mag hij nog een jaartje waken.

Daar begon het al dat ze hem in het ootje namen, dacht Ouwens. En het werd ook een drukte, een gekrioel en een gezwaai van armen om hem heen, maar ze maakten geen ander geluid dan zachtjes zoemen zooals bromvüegen. Hij wist niet hoe hij op moest treden. Een beetje pleizier, daar stak geen kwaad in, en wie het allemaal waren kon hij niet zien, hoewel hij aan verscheiden personen toch wel iets herkende. Hij wist ook niet wat de burgemeester zou zeggen, dat hij het toegelaten had. De manspersonen mochten dan wat dol doen, dat was

Sluiten