Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

20. Aan de donkere Spelevaarbaai

Hoe de Spelevaarders schrokken toen ze de baai terugzagen, die morgen na de nacht, waarin Stalma geroofd was, laat zich wel denken. De gezant van Speleland had den duiker Stiemer daarvan al een treffende beschrijving gegeven. De zee, de eens zo verrukkelijke, lichtende, helderblauwe, bijna lieflijk geurende zee, was weer een gewone zee van golvend water geworden, met niets bizonders eraan dan een overmatig groot aantal hotels en terrassen aan de kust. De prachtig beschilderde bootjes, waarin de toeristen en Spelelanders anders altijd op de baai voeren, bleven doelloos in de haven van Spelburg liggen. Niemand had zin in een tochtje en hoewel het helemaal niet zo erg koud was, zette iedereen, die langs het strand wandelde om te zien, of de, zee al weer bijna licht werd, de kraag van zijn ias op.

Eerst trachtte de regeering van Speleland geheim te houden, dat Stalma weg was, maar de minister van het toeristenwezen versprak zich in een openbare bijeenkomst, waarin een roeier, die vijf iaar lang toeristen ovet de baai had geroeid, gehuldigd werd, door te zeggen, dat hij (die roeier) in het vervolg zijn riemen wel binnen boord kon houden en dat vijf jaar wèl, kort genoeg was, als je het vergeleek bij nooit weer. En een dag later was er geen buitenlandse toerist meer in Speleland en geen Spelelander meer, die niet af en toe met luide uithalen aan het strand stond te huilen of dreigend de vuist naar de zee schudde. En boven heel Spelberg klonk in stille nachten het gejammer van den Keizer, die zich tot dit doel helemaal uit het hofleven had teruggetrokken. Al dit geweeklaag gaf de eertijds zo vrolijke stad iets buitengewoon spookachtigs. Men kan zich begrijpen, hoezeer de Spelelanders benieuwd waren naar de avonturen van den duiker Stiemer en de resultaten van diens onderzoek.

Sluiten