Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ELS NEEMT DE LEIDING

en wuifde nog een paar maal vriendelijk met zijn hand. ®*®r,Je aanstaande,” zei Wil. „Daar is-ie. Hij heeft rood haar.”

„Dan kan het niet,” antwoordde Joop. „Da’s een hele opluchting. Want mijn slager moet beslist een zwarte man zijn.”

Joop stond op, om de consumpties af te rekenen, want ze was zo erg rijk, zei ze, en ’t moest toch op.

Om kwart over een bereikten ze het kampeerterrein van de meisjes-kampeervereniging, Heidendaal. Joop telde dadelijk de tenten. Er stonden er zeventien; grotere en kleinere.

„Eerst dikke Hein goeiendag zeggen,” zei Joop. „Die zal blij zijn, als hij ons weer ziet.”

De begroeting met den tamelijk corpulenten heer Hein van Leusden was warm en hartelijk. Er stond een cantine op het kampeerterrein en daar-achter was meneer van Leusden’s woning. Hij woonde er met zijn vrouw en twee honden. In de cantine konden de kampeersters wat drinken en ze konden er ook een eenvoudige maaltijd gebruiken, als ze het van te voren aankondigden. Daar zorgde dikke Hein’s vrouw voor.

De baas van het kampeerterrein regelde alles en hg had nóg een taak: hij moest zorgen voor de veiligheid. Daarvoor had hij dan ook de honden, die ’s nachts los liepen over het terrein en die een oogje hielden op mogelijke indringers. Want een tent is nu eenmaal geen solide woning en het is voor een dief heel makkelijk, om de slapers te bestelen.

Wil bracht haar fiets in het ruime fietsenhok, achter de cantine en maakte de tent los. Achter op het kampeerterrein, in een hoekje, bij een groep berken, wilden de meisjes de tent opzetten. Maar meneer Hein had het in de gaten en riep: „Nee, meisjes, niet onder de bomen!

Sluiten