Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ELS NEEMT DE LEIDING

tal. De baas van de cantine ging dadelijk opbellen naar de garage, in de buurt van het kampeerterrein. De garagehouder had twee wagens, maar geen van die wagens was thuis. Ze waren allemaal verhuurd aan mensen, die naar de fuif op de tennisbaan gingen.

„Jongens,” zei Els, „we slaan onze regenjassen om en we wandelen door het bos. Dan zullen we wel niemand tegenkomen, denk ik.”

Het was de beste oplossing en ze moesten dadelijk gaan, want ze hoorden in de radio al persberichten en de klok had dus acht uur geslagen.

De andere meisjes op het kampeerterrein hadden veel plezier in de drie vriendinnen en ze liepen hen na tot de uitgang van het terrein. Maar daarna lieten ze hen gelukkig met rust.

Ze konden nu dadelijk het bos ingaan en hier waren ze veilig. Dat dachten ze tenminste. Want na een minuut of tien kwamen ze vijf opgeschoten jongens tegen, die met stokken door het bos slenterden.

„O, kaik es effe,” riep er een, „drei malle!”

De meisjes versnelden hun pas en liepen met strakke gezichten langs de opgeschoten jongens. Maar die vonden deze ontmoeting een buitenkansje en ze begonnen de meisjes te volgen.

„Die ene is uit een woonwagen,” riep een van de jongens. „Maar ’t is geen echte, ’t Zijn drie malle. En die boerin is ook niet echt.”

„Jewel, die is wel echt,” zei een ander. „Kaik maar, ze heb klompe an ’r bene.”

„En die derde... da’s een Amerikaanse koboi. Meisie, rang ons es met je touwtje, as je ken! Héé... toe gooi es -en keertje! Ze doet ’t niet! Ze benne boos! Ze verstaan geen Hollands!”

„Hard lopen,” fluisterde Joop. Els en Wil begonnen dade-

Sluiten