Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van hun gedachtenwereld, maar tot dusverre is zij er niet in geslaagd. Zij zijn beleefd en vriendelijk — maar leven ten slotte hun eigen leventje. Beleefd en vriendelijk — hoewel niet onder elkander. Ieder ogenblik is er onenigheid tussen kokki en huisjongen of baboe en tuinman, telkens weer zegt de een of de ander de dienst op, zogenaamd omdat er een familielid gestorven is, of omdat er thuis een zieke is. Maar meestal is het vertrek te wijten aan onenigheden in de bijgebouwen, onenigheden waar men ten slotte toch de „njonja" buiten houdt. Mevrouw De Lange begrijpt wel, dat er onenigheid is, maar ze kan nooit achter de werkelijke reden komen, ook al spreken de partijen, die ruzie hebben, in die tijd vaak kwaad van elkaar. Ze merkt het maar wat goed, dat de suikerfabriek op de grens van twee werelden staat: gewoonlijk is er ruzie tussen een Javaanse en een Soendanese bediende. En de mensen van hetzelfde ras trekken steeds voor elkaar partij.

Mevrouw de Lange zit in de ruime, frisse achtergalerij van haar woning. Ze is alleen, want haar man, die voor het ontbijt was thuisgekomen, is weer vertrokken.

„Njonja!"

„Ja kokki, wat is er?"

„Ik wil naar de markt gaan."

„Goed — ik zal kijken wat er nodig is."

Mevrouw de Lange staat op, neemt een bos sleutels uit de buffet-kast en gaat naar de bijgebouwen, waar de provisiekamer is. Bij de deur van die kamer gaat de kokki gehurkt zitten in afwachting van wat de njonja zal zeggen.

„Zout is er nog, maar houtskool moet er zijn en vruchten, breng vooral vruchten mee — ’k zou denken

Sluiten