Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Dat was mijn stiefmoeder — mijn vader is gescheiden, maar nu is mijn echte moeder dood/'

„Met wie heb je ruzie ?"

„Ik heb geen ruzie, njonja."

„Maar hoorde ik je gisteren niet te keer gaan tegen den huisjongen?"

„Ja — ik gaf hem een standje, omdat hij van de boter stal/'

„Zó — zó.” en mevrouw de Lange denkt eraan, dat ze nog geen week geleden een van haar mooiste sarongs in het kamertje van de baboe vond. Die sarong was daar „bij ongeluk" gekomen. Jawel!

„Weet je wel, dat je nog vijf gulden voorschot hebt?"

„Die mag de njonja op mijn loon korten."

„Dus je wilt werkelijk weggaan?"

«Ja."

Het spijt mevrouw de Lange, dat ze Sarina, die, ondanks haar soms bij ongeluk „verleggen" van kledingstukken, een goede meid is, en het bijna vier jaar op „Kadipaten" heeft uitgehouden, nu in eens kwijt raakt. Maar ze weet, dat het verkeerd zou zijn er bij Sarina op aan te dringen om te blijven.

„Wat ga je nu doen?"

„Naar mijn dorp terug."

„Of heb je een andere mevrouw gevonden?"

„Neen."

„En wat wil je dan in je dorp doen?"

„Mijn moeder begraven."

„Goed — en daarna?"

„Nadenken."

„Waar ligt je dorp?"

„Dicht bij Bandoeng."

„Nu, als je een poosje nagedacht hebt en je vindt het

Sluiten