Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Zeker, de zendeling is een goed man en zijn vrouw helpt steeds, als er veel zieke mensen zijn.”

„Waarom doet de zendeling dat?”

„Hij moet, omdat het gouvernement hem hier geplaatst heeft.”

„Dan zal hij wel veel verdienen — misschien wel Zoveel als een resident.”

„Hoe meer mensen hij helpt, hoe meer hij verdient.”

Maar de man uit Tjideres weet het beter. „Hij is geen ambtenaar en hij helpt de mensen, omdat Toean Allah (de Heere God) het wil.”

Siti heeft alles gehoord, wat er door de mannen gesproken is. Zij weet, dat de zendeling een „goed” mens is, zoals zij het noemt. Toen zij aan een pijnlijke oogziekte leed en de zendeling haar toevallig voor de waroeng zag zitten, met haar lichtschuwe ogen knipperend tegen het felle zonlicht, had hij tot Siti's moeder gezegd, dat zij maar eens met haar dochtertje naar het hospitaal moest komen. Eenmaal was moeder meegegaan. De zendelingsvrouw was wel een uur met Siti bezig geweest en had gezorgd, dat zij minstens een keer of vijf terug moest komen. Maar zo dikwijls kon moeder niet weg uit de waroeng. En daarom was de zendelingsvrouw zelf naar het huis van Siti's vader gekomen, om diens dochtertje te helpen: wel tweemaal in de week. Ze had eerst gevraagd, de njonja, of Joesoep dan niet komen kon, om zijn dochter te laten behandelen. Maar vader Joesoep had allerlei uitvluchten. Hij moest een buurman behulpzaam zijn bij het kopen van een geit en hij had een bespreking met een dorps-burgemeester in de buurt over het verkopen van een stukje grond, hij moest voor den heer controleur verschijnen in verband met een veediefstal, waarover hij iets had uitge-

Sluiten