Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maryam is al bijna vergeten waarom ze Siti riep, maar nu weet ze het weer: „Je moet naar Ho Hin gaan en drie pakjes Chinese thee en twaalf gezouten eieren halen, dan breng je van den bakker twee zoete broden mee en in de waroeng van M'bok Merah haal je een fles tamarinde-stroop."

„Ho Hin heeft ook stroop/'

„Ja, maar M'bok Merah moet mij nog geld betalen voor de strootjes, die ze verleden week bij mij gehaald heeft. Als ik de fles stroop heb, krijgt zij geld van mij en dat is beter dan omgekeerd."

Juist zal Siti weggaan, als de kokki van Mevrouw de Lange aankomt.

„Wel, wat moet je hebben?"

„De njonja heeft bezoek, ze moet ijs hebben."

„Neem je het mee?"

„Laat Siti het maar brengen!"

„Goed, wil je wat drinken?"

Ja, dat wil kokki wel. Zij hoeft haar glaasje limonade niet te betalen, want als Siti op de fabriek komt, en kokki is er, krijgt het meisje steeds de een of andere lekkernij — natuurlijk uit de kast van de njonja.

Terwijl Siti het ijs inpakt, om naar de njonja te gaan, praat kokki een poosje met de waroenghoudster.

„Wanneer is de fabriek afgemalen ?" Dat wil Maryam graag weten. Als de fabriek niet werkt, zijn er geen koelies en hoeft ze minder eten klaar te maken voor de fabriekslui, die bij haar een bordje rijst komen halen.

„De fabriek zal over drie weken wel stilstaan, want over een maand gaan de toewan en de njonja naar de bergen."

„Waar gaan ze heen?" informeert Maryam nieuwsgierig.

„Naar Lembang."

Sluiten