Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en in volle vaart vliegt de auto tegen de waroeng van Maryam. Gekraak, gegil, — dan ligt de auto in een droge sloot, ter zijde van de weg. Een ogenblik is het stil, dan klinkt uit de ruïne van waroeng en auto gekerm. De karrevoerders zijn één ogenblik verslagen van schrik, maar dan snellen ze toe en proberen, geholpen door een paar mannen uit het dorp, Maryam te verlossen uit de overblijfselen van wat eens haar waroeng was. De mensen in de auto — een Hollander uit Bandoeng en de Inlandse chauffeur — zijn er wonder boven wonder met een paar lichte kneuzingen en schrammen afgekomen. Zij kunnen zich althans uit de zwaarbeschadigde auto werken en naar de weg slepen. Maar Maryam — de arme Maryam! Ze kermt en kreunt. Met gesloten ogen ligt zij, het hoofd gesteund door een zak rijst, op de grond. Behalve een diepe snij wond aan het voorhoofd, waaruit langzaam het bloed druppelt, vertoont zij uiterlijk geen verwondingen.

„Is zij dood?" vraagt een karrevoerder.

„Neen, zij leeft nog, want ze kermt."

„Misschien is ze bingoeng (in de war) door de schrik."

„Geef haar wat te drinken."

„Neen, laat de dokter komen."

Ze overleggen, de karrevoerders, wat ze moeten doen, maar dan strompelt de Hollander uit de verongelukte auto naar de gewonde vrouw. Met een trek van pijn op het gelaat buigt hij zich moeilijk over haar heen en vraagt: „Woont er hier een dokter in de buurt?"

„Ja, op Tjideres. Willen wij haar naar Tjideres dragen?" stelt een der mannen welwillend voor.

„Neen — stil zo laten liggen," zegt de Hollander vlug. „Is er een telefoon in de buurt?"

De politieman van het dorp, die juist komt aanlopen,

Sluiten