Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Moeder is erg ziek/' zegt de zendelingsvrouw ernstig.

„Gaar ze sterven?"

„Dat weet de Heere God alleen!"

„Wat scheelt haar: heeft ze koorts of buikloop?"

„Weet je niet wat er gebeurd is?" En als Siti ontkennend het hoofdje schudt, vertelt mevrouw Verhoop in 't kort van het ongeval. Siti is voor een inlands kind een heel gevoelig meisje. Toch huilt ze niet, nu ze aan het bed van haar zo schrikkelijk gewonde moeder staat. Meer dan een uur blijft ze daar, zonder te spreken, staan, de ogen onbewegelijk op de lijdende vrouw gevestigd. Slechts de nauwelijks zichtbare ademhaling van Maryam bewijst, dat zij nog leeft. Dan, onverwacht, slaat ze de ogen op en kijkt om zich heen.

De dokter en mevrouw Verhoop buigen zich over de gewonde om te luisteren of zij iets zegt.

„Drinken," fluistert zij.

Men geeft haar te drinken en dan bemerkt ze Siti. Een flauwe glimlach speelt om de lippen der vrouw; Ze schijnt weinig pijn te hebben. „Moeder is ziek," Zegt ze. „Een auto reed de waroeng in."

„Moeder moet maar stil in het ziekenhuis blijven, tot ze beter is."

„Wie zal nu in de waroeng staan?"

„De waroeng is vernield," zegt Siti treurig, „anders zou ik het doen."

„Er moet een nieuwe waroeng komen, een mooie, grote waroeng," roept Maryam opgewonden, „waar alle mensen uit Kadipaten komen eten."

„Zeker — natuurlijk," zegt de dokter en hij geeft een wenk.

„Rustig, rustig maar, Maryam," kalmeert mevrouw Verhoop, terwijl ze den dokter een spuitje toereikt. Een

Sluiten