Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ha,” en dat lachen geeft een knarsend geluid, alsof er rijst tussen een paar molenstenen gemalen wordt, M'bok Merah had haar hand reeds klaar om Siti een slag in het gelaat te geven, maar ze bedenkt zich: een huilend kind brengt minder op dan een gewillig en vriendelijk meisje. Daarom zegt ze, huichelachtig als ze is: „Kom, wees nu zo gewillig als je thuis altijd bent; de toean Arab (Arabier) zal immers goed voor je zijn, nietwaar?”

„Héél goed,” antwoordt Ibrahim met een grijns, terwijl hij naderbij komt en zijn hand over armen en benen van het meisje laat gaan, om te voelen of ze sterke spieren heeft.

„Ze kan alles,” prijst M'bok Merah, „koken, werken, wassen.”

„Hm, ze is wat magertjes.”

„Maar taai.”

„Ze is wat jong.”

„Maar bevattelijk.”

„Nu, ik wil haar wel nemen, tegen vergoeding van voeding en kleding.”

„En hoeveel huur voor den vader?”

De Arabier heft de armen als in wanhoop ten hemel. „Huur — huur — is het niet voldoende, dat ik de kinderen van Javanen in huis neem en ze te eten geef? Ze eten zich dik aan de rijst en ik word er arm door.”

M'bok Merah gaat op de klachten van Ibrahim niet in. „Nu, hoeveel huur?” vraagt ze zakelijk.

„Het kind kan ziek worden.”

„Honderd gulden?”

„Honderd rampen over je huis!” vervloekt Ibrahim zijn bezoekster.

„Tachtig dan?”

Sluiten