Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zegt: „God zegene je, kind, God zegene je in alles", dan heeft zij de overtuiging, dat zij Siti nimmer zal weer zien. En toch vergist zij zich. Als zij en haar man de volgende morgen in de trein naar Batavia stappen, dan staat daar Siti, stil en verlegen bijna, met een bos anjelieren, die ze héél vroeg, toen het nauwelijks licht was, heeft geplukt in de tuin van de Zendingsschool.

Er wordt weinig gezegd nu, slechts enkele woorden zijn het, die de Hollandse vrouw en het inlandse meisje wisselen, maar die bewijzen hoe zeer Siti en haar pleegmoeder elkander liefhebben.

Nog een enkele handdruk — dan zet de trein zich in beweging. Siti blijft op het perron staan. Mevrouw de Lange wuift, maar haar pleegdochter groet slechts een enkele maal met de hand. Doch als de trein reeds lang uit het gezicht verdwenen is, dan staart ze nog naar het Westen, in de richting, waarin haar pleegmoeder verdween.

En dan begint voor Siti het leven op de kostschool. Rustig luistert ze in de klas, even rustig studeert ze. De dagen rijen zich tot weken, de weken tot maanden. Iedere week is er een brief van mevrouw de Lange en iedere week verzendt Siti een brief naar het verre Nederland. Mijnheer de Groot is heel tevreden over zijn leerlinge en hij vraagt zich af in welke richting hij Siti's studie moet leiden. Zal hij haar examen laten doen voor inlands verpleegster? Zou zij misschien beter geschikt zijn voor onderwijzeres of voor helpster bij het godsdienstonderwijs? Hij is het met zich zelf nog niet eens, als onverwacht het antwoord op zijn vragen komt.

Joesoep, Siti's vader, heeft weinig van zich doen horen, sinds zijn dochter in Bandoeng woont. Een enkele maal is hij haar komen opzoeken, maar hij heeft

Sluiten