Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mijn vader en zolang ik er bij ben, hoef je geen kwaad woord meer van hem te vertellen I”

Maar Tom was niet zo flink. Hij dacht niet alleen aan zijn eigen besten vader, hij dacht ook aan de werklieden, die hij gisterenmiddag had gezien. Hij hoorde weer hun harde stemmen en hun dreigende roep : „Weg met Tom Variheem I"

Straks zou de ijverige Freddie hem meetrekken, midden in de vergadering van die mensen. Freddie zou roepen : „De vreemde werklieden zijn aangekomen. Wij hebben ze in de trein langs zien gaan." Dat zou de mannen nog bozer maken. Zouden ze, daardoor, niet opletten, wie er wel met Fred mee was gekomen ? Tom kon het haast niet geloven. Die mannen gisteren in de kamer van Freddie’s moeder keken hem ook al zo wantrouwig aan! Vast zou er nu een hem bij zijn kraag pakken en hem vragen : „Hé daar, wie ben jij, kereltje ? Wat kom jij doen in ons vergaderlokaal?” En het leek Tom, dat hij tegen zulke mannen niet zou kunnen jokken. Al beet hij zijn tong af, toch zou hij zeggen : „Ik ben Tom Vanheem.” En wat zouden ze hem dan doen ? „Weg met Tom Vanheem!” hadden ze geroepen, en zouden ze wéér roepen.

Tom beefde, toen hij de grauwe huizen van Blackie-town weer zag. Wat waren ze lelijk en wat was Happy-town mooi! Als hij thuis was gebleven, zou hij nu misschien met zijn moeder in de tuin hebben gelopen. Hij zou haar alles al hebben verteld van de jongens, van Freddie's moeder en van Jim's zusje. Dan — zo viel het hem ineens in — was hij al aan het helpen geweest, ook Zonder dat hij de belofte had afgelegd. Want moeder zou zeker die goede Rosa Flye en het zieke zusje van Jim alles hebben willen geven wat ze nodig hadden.

Hij wilde de jongens toeroepen : „Halt, stop, laat me eruit, ik wil naar huis.” Maar hij kon niet. Zijn keel was toegeknepen. Hoe laat zou het wel wezen ? Hij maakte een beweging met zijn

Sluiten