Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maar ronduit met den stationschef spreken. Dan past die er wel een mouw aan.” Hij moest en zou nu van de jongens af komen.

„Dan zullen we je daar netjes voor de deur zetten,” beloofde Fred.

De bomen gingen omhoog en Freddie zette zijn voet al op het pedaal. Maar nu kwamen aan weerskanten van de weg gendarmen aangetreden. Het waren kerels als bomen. Hun gezichten leken uit steen gehouwen. Ze droegen geweren met ontblote bajonetten erop over de schouder.

„De toegang tot de spoorweg is verboden, jongens,” zei een van de mannen, niet onvriendelijk.

„Maar wij moeten den stationschef spreken,” verweerde Freddie. En Tom riep over Fred's schouder: „Ik moet op reis 1”

De man lachte. Daar geloofde hij helemaal niets van.

„Je zult dat plezierreisje tot een volgende keer uit moeten stellen, beste jongen,” zei hij. „De overgang van de spoorweg is alleen te gebruiken door de bewoners van de villa Happy-town. Deze plaats is in staat van beleg en wij, soldaten, hebben er alles te zeggen. Rechtsomkeert dus, of er gebeuren andere dingen.”

Tom kreeg een kleur van angst en teleurstelling.

„Luister eens,” riep hij naar den gendarm, „alsjeblieft, luister eens.” Hij wilde zeggen : „Ik ben een bewoner van Happytown. Ik ben de zoon van Tom Vanheem. Je kimt mij vasthouden, totdat mijn vader langs komt. Die zal je wel vertellen, dat ik de waarheid heb gesproken en hij zal me mee naar huis nemen.”

Maar de grote man zei onverbiddelijk: „Er valt voor mij niets te luisteren. Rechtsomkeert en terug naar je moeder. Jullie bent veel te jong om in deze troebele tijden op straat te zijn.”

Freddie hing al over het stuur.

Sluiten