Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EEN WONDERBARE ONTDEKKING

hen toetrad. Met enige verwondering keken de jongens den vreemdeling aan. Het was nog zeer vroeg in de morgen en wandelaars werden daar zelden gezien; zeker niet zo vroeg. Nieuwsgierig zagen de beide vrienden toe. De vreemdeling, die weinig of niets opvallend aan zich had, behoudens dan een wit vest, geborduurd met sterke kleuren, liep een paar maal om de wagen heen en wendde zich toen tot hen.

„Is dat hier van jullie?”

: „Ja, mijnheer”, antwoordde Kees. '1 . „Wat móet er gebeuren?”

„Wij gaan hier kamperen, mijnheer.”

„Zo, zo! Op dit terrein?”

„Ja mijnheer.”

„En dat bordje dan?”, vroeg dé vreemdeling, t;erwijl hij wees naar het bordje: Verboden Toegang.

„Dat geldt niet voor ons, mijnheer!”

„Hoezoo?”

„Wij hebben toestemming van den eigenaar.”

Kees was zeer geduldig en gaf op voorbeeldige wijze antwoord op de vragen die de vreemdeling stelde. Dat was Hans wel een beetje onbegrijpelijk, want in de meeste gevallen was het Kees, die al te nieuwsgierige elementen met een hartig woordje aan het verstand bracht dat hun nieuwsgierigheid misplaatst was. Maar deze keurig opgedirkte vreemdeling scheen Kees met één slag veroverd te hebben, want hij ging dood op zijn gemak op de wagen zitten, blijkbaar volkomen bereid alle vragen van den vreemden man te beantwoorden- Wel viel het Hans op, dat Kees den vreemdeling met een strakke, ietwat verwonderde blik aanstaarde.

„Dus jullie gaan in die ouwe schuur slapen?”

„Ja, mijnheer. Maar niet altijd. Wij hebben een tent ook hij

_ 11 I

ons.

„Dan zou ik jullie aanraden in de tent te gaan slapen. In zo’n ouwe schuur lijkt het me niet zo fris,”

Sluiten