Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

±

DE MAN UIT JAPAN

het ergste achter de rug was. Het gebeurde vaak, dat dergelijke hevige onweersbuien kort van duur waren en even gauw verdwenen als zij gekomen waren. De regen werd zelfs al wat minder.

„Wat zullen wij doen, Kees?”, vroeg Hans, die rilde van de kou.

„Nog even wachten, als je tenminste niet bang bent om kou te vatten.”

„Bang niet. Maar mogelijk is het wel.”

„Liever weggaan?”

„Welneen. Ik ben niet van papier. We zullen voor wij naar bed gaan, een hete kop chocolade nemen. Met de vaste spiritus is dat zo gebeurd.”

„Blijven dan nog”, beval Kees, die het evenals Hans koud scheen te hebben, want zijn stem trilde.

De bui dreef werkelijk af. In een ongeloofelijk korte tijd dreef de wind de donkere wolken weer uiteen. Hier en daar fonkelde reeds een ster en na ongeveer tien minuten goot de maan haar romantisch licht op de verwaaide en verregende omgeving.

„Nu voorzichtig. Kees”, zei Hans fluisterend. „Het maantje kan ons verraden.”

Dieper doken zij weg in de schaduw en de wilgenstruiken. Van de plaats waar zij zich bevonden konden zij de deur van de loods gemakkelijk zien. Als de vreemdeling evenals zij over het terrein sloop, om welke redenen dan ook, dan zou hij toch wel weer eens naar huis gaan. Als het niet te lang duurde, wilden zij op dat moment wachten.

De rust in de natuur was nu volkomen weergekeerd. Af en toe flikkerde de hemel nog en rommelde de donder in de verte, maar ’t was nu toch zeker dat de bui uitgewoed had. Het geduld van de jongens werd op een nieuwe proef gesteld. Minuut na minuut verstreek zonder dat er iets gebeurde. Kees meende net Hans een por te geven om hem te beduiden dat hij er genoeg van had, toen een lang gefluit de nachtelijke stilte verstoorde.

De beide jongens voelden een rilling door zich heen gaan. Iets

Sluiten