Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TERWIJL HET KAMPVUUR VLAMDE

tische droom van woudloper te zijn ontwaakt, knaagde weer het ongeduld aan hun zenuwen. Het voorbijglijden van een logge zandschuit was nu geen droom, maar een ergernis; het pinkelen van de sterren maakte hen nu niet tevreden, maar deed hen slechts sterker verlangen naar de komst van den vreemdeling.

«Hij komt niét, Hans”, zei Kees plotseling, zenuwachtig en ongeduldiger dan hij ooit geweest was.

„Hij zal best komen, Jantje ongeduld”, antwoordde Hans.

Kees haalde de schouders op en tuurde in de richting, vanwaar de man uit Japan waarschijnlijk komen zou.

„Pas op je vuur!”, waarschuwde Hans opeens.

Die waarschuwing was niet overbodig. Want Kees, die de verzorging van het vuur op zich genomen had, was zo door de komst van den vreemdeling in beslag genomen, dat hij niet gezorgd had voor tijdige aanvulling van hout. De vlammetjes begonnen al gevaarlijk te flikkeren. Door de waarschuwing van Hans weer op zijn taak gewezen, herstelde Kees zijn fout en voorzag het vuur van nieuw voedsel. Bijna onmiddellijk daarna vlamde het weer hoog op.

Tijd om opnieuw te verzinken in zijn dromen over den vreemdeling had hij niet, want nauwelijks brandde het kampvuur weer lustig, of de takken van het dichtstbijzijnde wilgenbosje werden uiteengeschoven en de man uit Japan schreed de lichtkring van het kampvuur binnen.

„Goedenavond, jongelui!”, groette hij.

„Goedenavond.... mijnheer", antwoordden de jongens, enigszins van hun stuk gebracht door zijn plotselinge verschijning. Want al hadden zij hem verwacht, zijn komst was toch nog verrassend. Wie weet hoe lang die snuiter daar al achter die wilgenbosjes had gestaan? En de manier waarop zij dat mijnheer uitgesproken hadden, was ook min of meer aarzelend geweest. Zij hadden dat woord niet van harte gezegd, meer omdat zij, nu zij nog niet zeker wisten of hij werkelijk iets slechts in het schild voerde, hem die beleefdheid niet durfden te onthouden,

Sluiten