Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I. INLEIDING

In dit geschrift zal met enkele woorden worden nagegaan, in welke verhouding de geldende wetsbepalingen den psychiater tot de wet plaatsen, wanneer zijn advies gevraagd wordt; op welke vragen, en in welken vorm gesteld, hij antwoord geven kan en mag. Daar de vragen, die tot den deskundige worden gericht, samenhangen met de geldende rechtsregelen en de termen der wet, waaruit die rechtsregelen stamman is zijn positie met betrekking tot het recht niet weinig van die wetstermen afhankelijk. Het is derhalve noodig, eerst na te gaan, wat in het algemeen deprincipes zijn, waaraan de gebezigde termen zouden moeten voldoen om een nuttige samenwerking van jurist en psychiater mogelijk te maken.

In onze verschillende wetten wordt de psychische toestand van de individuen waarover het gaat, van zóó verschillend standpunt uit beschouwd, zijn de eischen die gesteld worden, zoowel kwalitatief als kwantitatief zóó ongelijk, en worden aan de voorwaarden waaraan moet worden voldaan, zóó onderscheidene gevolgen verbonden, dat het dwaasheid ware, een term te willen vinden, die op alles tegelijk toepasselijk is. De term „krankzinnigheid” is al dadelijk stellig onbruikbaar te noemen, daar die immers zelf niet eens een duidelijk bepaalden inhoud heeft.

Aan een definitie van het begrip krankzinnigheid hebben talloozen reeds hun krachten beproefd. Allen zijn te kort geschoten en ik meen, dat het geen zin heeft er nog langer naar te zoeken. Want krankzinnigheid is niet een in zich zelf bepaalde grootheid of hoedanigheid, maar de verhouding van een individu tot de wereld waarin hij leeft. En mèt de aspecten die de wereld hem biedt, de eischen die zij hem stelt, de remmende of ontremmende invloeden die van haar Qp hem en van hem op haar uitgaan, verandert weliswaar niet zijn „ziekte” - die is „in zich zelf bepaald” — maar wel zijn verhouding tot de wereld. Wij weten heden ten dage, dat, veel meer dan men vroeger meende, de mate waarin de zieke in houding en gedrag, ja zelfs in denken van ons verschilt, de mate waarin hij met, tegen of buiten ons leeft, afhankelijk is van ons gedrag te zijnen opzichte. Men kan zich slechts verwonderen, dat dit inzicht ons eerst zoo laat is eigen geworden, want „leven” is altijd, in al zijn uitingen, een wederzijds uitwisselen van inwerkingen, een wederzijds oproepen van vermderingen.. En zoomin als men „leven” kan denken zonder de wereld waarin, waaruit en waaraan het zich voltrekt, zoomin kan men den „krankzinnige” denken zonder de wereld waarin hij het is, en te wier opzichte hij het is. Is zij intolerant of juist toegeeflijk, vriend-

5UPPL.

Sluiten