Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE PSYCHIATER TEGENOVER DE NEDERLANDSCHE WET

waarbij de toerekeningsvatbaarheid is opgeheven of aanwezig is. Het zou niet overeenkomstig de bedoeling van dit werk zijn, aan deze vele omschrijvingen er een toe te voegen en deze als de ware aan anderen op te dringen. Toch dient hier een omschrijving te volgen, indien wij bij ons voornemen blijven, na te gaan in welken vorm de vragen tot den psychiater gesteld moeten worden [blz. n] en deze omschrijving moet zoo veel mogelijk alle bijzondere opvattingen in het midden laten.

Wij meenen aan dezen eisch te voldoen, wanneer wij de toerekeningsvatbaarheid omschrijven als die toestand, waarin men behoorlijk inzicht heeft in de beteekenis en de gevolgen van zijn handelingen en het vermogen bezit dienovereenkomstig te handelen.x) Het is deze formuleering, welke hiervoor [blz. 12] - bij antecipatie - reeds gegeven werd bij de beantwoording van de vraag, welke de „bouwsteenen” zijn die de psychiater aanbrengt - en kan aanbrengen - om den rechter gelegenheid te geven, over dë toerekeningsvatbaarheid te oordeelen. Zoo meenen wij hier een formuleering gegeven te hebben, waarmede zoowel de psychiater als de jurist vrede kan hebben, en welke derhalve de grondslag kan zijn van een vredige samenwerking van beiden.

Is hiermede dus gezegd, dat tekst en inhoud van art. 37 Sr. voldoen aan de hierboven genoemde eischen - het bevatten van een kwalitatieve en een kwantitatieve bepaling -, wie mij goed gelezen heeft, zal begrijpen, dat die ingenomenheid niet het dogma der toerekening zelve betreft. Ik stel er integendeel prijs op, mij openlijk te scharen aan de zijde van hen, die haar, zooals ik in de Inleiding (Dl. I blz. 1] heb gezegd, hartgrondig „vermaledijen”. De verhevenheid van het „toerekenen”, „vergelden”, „straffen” dus in strikten zin, is mij nooit duidelijk geworden. Het kwaad straft %ich zelf, innerlijk in het geweten en uitwendig in zooverre het den dader buiten de gemeenschap

1) Deze omschrijving heeft in dit verband al dadelijk dit voordeel, dat zij de zooveel hartstocht verwekkende „kwestie” van den vrijen wil (min of meer listiglijk) ontgaat.

Vgl. b.v. de definities, gegeven door:

Pompe, Handboek van het Nederlandsche Strafrecht, 2e druk, blz 138.

Simons, Leerboek van het Nederlandsche Strafrecht, 6e druk, blz. 19;.

H. M. G. 3 Juli 1888, Tijdschr. v. Strafr. afl. VT, blz. 448.

D. Wiersma, Over toerekeningsvatbaarheid, blz. 32.

SUPPL.

Sluiten