Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CURATEELE

zinnigheid, als grond voor curateele: onnoozelheid en razernij, beide ook als „gedurige staat”. Het woord onnoozelheid is in de wet opgenomen, omdat het destijds ongebruikelijk was, het woord krankzinnigheid te bezigen ter aanduiding van aangeboren afwijkingen. Voorzoover men ook thans nog van meening zou zijn, dat een aangeboren afwijking niet ziekelijk is te noemen, zou men ter (kwalitatieve) omschrijving van de toestanden, welke in de wet „onnoozelheid en krankzinnigheid” worden genoemd, de ons reeds bekende en zeer deugdelijk gebleken uitdrukking: „ziekelijke storing en gebrekkige ontwikkeling der geestvermogens” kunnen gebruiken.

En wat den „gedurigen staat van razernij” betreft: hierop is de tevoren gegeven [blz. 20] omschrijving van het begrip krankzinnigheid volledig van toepassing, zoodat een afzonderlijke omschrijving van deze uitdrukking onnoodig is.

Thans rest nog de curateele, die uitgesproken kan worden bij het bestaan van zwakheid van vermogens, op grond waarvan men niet in staat is zijn belangen behoorlijk waar te nemen.

De wetgever heeft hier een psychische x) storing van minder emstigen aard bedoeld dan die, welke aanleiding geeft tot de hierboven besproken curateele. Dit blijkt allereerst hieruit, dat de aanvrage tot de hier bedoelde onder curateele stelling slechts van de onder curateele te stellen persoon zelf kan uitgaan. (De curateele wegens „krankzinnigheid” enz. kan worden aangevraagd door familieleden en door het Openbaar Ministerie, doch niet door den toekomstigen curandus zelf.) Een zeker %iekte-in%icht, een inzicht bovendien in de maatschappelijke gevolgen van de ziekte is dus vereischt, iets wat bij ernstigere aandoeningen weinig zal voorkomen en waarvan de wet in ieder geval veronderstelt dat het bij de door haar bedoelde „krankzinnigheid” niet voorkomt: een „krankzinnige” kan immers zijn eigen curateele niet aanvragen.

Voorts blijkt het minder ernstige karakter van de hier bedoelde aandoening uit het gebruik van de woorden „spvakheid van vermogens”, in tegenstelling met het eerste nummer van art. 487, waar de krankzinnigheid enz. wordt beschouwd als het ontbreken (van het gebruik) van deze vermogens: daar

1) De oude vraag, of met „vermogens” hier ook lichamelijke vermogens bedoeld zijn, zullen wij hier ter wille van de strekking van

dit werk buiten bespreking laten.

SUPPL.

Sluiten