Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het steeds herhalen van deze drie eerste bewegingen (en straks ook van de elementaire beenbewegingen) maakt dat deze bewegingen muurvast ingeprent worden, zoodat de zwemmer, zoodra hij de bewegingen in het water moet uitoefenen, noch over de beweging zelf, noch over de volgorde daarvan zal behoeven na te denken.

Heeft men de armbeweging op het droge voldoende geoefend, dan kan men zich tot schouderhoogte in het water begeven en de beide armen met naar beneden gerichte handpalm en aaneengesloten vingers, zoodanig voorwaarts strekken, dat de duimen elkaar raken en de handen horizontaal enkele centimeters onder Water liggen.

Daarna kan men de driedeelige armbeweging, welke wij hiervoor hebben uiteengezet, juist zoo uitvoeren als men dat voor dien tijd op het droge heeft gedaan. Met dien verstande, dat men nu rekening moet houden met den veranderden stand der armen, waardoor de eerste beweging geen verticale maar een horizontale beweging wordt, terwijl bij de tweede beweging de handen 30 c.M. naar beneden worden gedrukt.

Gedurende de geheele uitvoering van de beweging moeten de vingers aaneengesloten blijven.

Aangezien het zwemmen een samenstel van soepele bewegingen is, zal men er dus dadelijk reeds goed aan doen, indien men de eene beweging als het ware in de andere laat vervloeien, dus de drie bewegingen van de armen tenslotte als één afgerond geheel in tempo uitvoert.

DE BEENBEWEGING

De bedoeling is nu om ook de noodzakelijke beenbewegingen op het droge uit te voeren. En wel op de volgende manier: Men gaat rechtop staan, sluit de hielen flink tegen elkaar en richt de teenen naar buiten.

Men heft dan het rechterbeen met sterk naar buiten gerichte gebogen knie heel langzaam omhoog, zoovèr tot de hiel van den rechtervoet het kniegewricht van het gestrekte linkerbeen raakt. (Zie fig. 4).

Sluiten