Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

magneetnaald naar het magnetische N wijst; de richtingspijl wijst dan naar je doel.

Evenals overdag, tracht je ook nu een tegen de lucht afstekende boom, een kale plek, struik of ster als voorloopig doel te kiezen en zoo vaak het noodig is, laat je de magneetnaald opnieuw inspelen.

Soms, wanneer het terrein in het geheel geen „hou-vast” geeft, is het aan te bevelen telkens iemand vooruit te laten gaan, terwijl je met je stok de richting aanduidt. Is hij zóó ver, dat je hem nog juist kunt onderscheiden, dan controleer je nog even met het kompas of hij werkelijk goed geloopen is. Met een licht voorwerp als een witte zakdoek kan hij de plaats, waar hij zich bevindt, duidelijker aangeven. Ook kan een zaklantaarn daarbij goede diensten bewijzen, behalve natuurlijk in het geval, dat daardoor de aandacht van „vijanden” getrokken zou kunnen worden! Zoo ga je dan, afhangende van de omstandigheden, telkens over een afstand van 25 tot meer dan 100 m verder.

Van veel belang kan zijn, dat je goed nagaat welke afstand afgelegd wordt. Mogelijk moet je na anderhalve kilometer een andere richting kiezen. Wanneer ben je zoover?

Je kunt op je horloge letten en een zekere gemiddelde snelheid aannemen, maar daarbij is de kans, dat fouten gemaakt worden, natuurlijk niet gering. Veiliger is het iemand het aantal passen te laten tellen en met zijn gemiddelde paslengte, bijv. van 74 cm, de afstand te berekenen. Het loopt prettiger, wanneer je het aantal keeren optelt, dat je de rechtervoet (öf de linkervoet) op de grond zet, dan dat je alle passen telt. Wanneer daarvoor nog iemand beschikbaar is, kan het werk verdeeld worden, door éen jongen telkens van 1 tot 100 te laten tellen en een ander de honderdtallen te laten onthouden. Er bestaan voor dit doel ook instrumentjes, pedometers, maar die zijn vrij duur.

Wanneer je, zooals bij tochten op gletschers, met een touw verbonden bent, biedt dat een andere, handige methode om de afgelegde afstand goed te berekenen. Je dient daarbij de afstand te weten tusschen den voorsten en den achtersten man, waarvoor gewoonlijk weinig moeite gedaan behoeft te wórden, omdat de lengte van dergelijke touwen altijd bekend is. De voorste man maakt nu met zijn pickel een teeken in de sneeuw en wanneer de achterste man dit bereikt, roept hij en maakt de voorste man opnieuw een teeken. Ben je met zijn vieren verbonden door éen touw, dan zal no. 3 de leider zijn, die met behulp van het kompas aanwijzingen geeft voor de te volgen richting, no 1 maakt teekens in de sneeuw, no 4 waarschuwt wanneer weer een touwlengte is afgelegd en no 2 telt het aantal touwlengten op en waarschuwt de leider wanneer een bepaalde lengte is afgelegd.

Sluiten