Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

III. 1563—1566:

DE SPAANSE REIS; WEER TERUG IN DE NEDERLANDEN;

CLENARDUS EN GARCIA DA ORTA

De tijd, die Carolus Clusius voor zichzelf had, werd hem echter maar kort toegemeten, want reeds in de laatste dagen van Augustus was hij in Keulen aangekomen, op weg naar Augsburg, waar hij een bespreking zou hebben met den bekenden bankier Anton Fugger, graaf van Kirschberg en Weissenhom.

Fugger had hem naar Beieren ontboden, om met hem te spreken over het mentorschap voor zijn zoons. Van beide zijden verliep deze bespreking naar wens. Men kwam overeen, dat de jonge Fuggers zich met Clusius naar Italië zouden begeven. Hierdoor zou Clusius dus een van rijn grootste verlangens vervuld zien.

Hij ging weer naar de Nederlanden terug, om zich terstond reisvaardig te maken en om zijn zaken te regelen, hetgeen om de ziekelijke toestand, waarin hij zijn vader hij zijn terugkeer aantrof, wel gewenst was. Maar de „negotia domestica”, gelijk hijzelf in een brief aan Crato schreef, hielden hem tegen zijn zin veel langer op, dan hij lad gehoopt. Daardoor verbleef hij nog de gehele winter n de Nederlanden, deels in Antwerpen, deels in (Jent.

Toen Clusius eindelijk in Februari 1564 gereed was voor le nieuwe buitenlandse reis, was het oorspronkelijk •eisplan volkomen gewijzigd. In de eerste plaats zou de ;ocht niet geschieden met de twee zoons van Anton Fugger, naar slechts met den jongen Jacohus. Ten tweede — en lat was voor Clusisus wel een heel erge tegenvaller

Sluiten