Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stige vraagstukken wel een weinig, toen de studie van de plantkunde hem meer en meer opeiste. Hij was ook, gelijk in zo vele andere zaken, in zijn kerkelijke opvattingen gematigd.

Na zijn terugkeer had hij zijn tijd trouwens ook wel voor zijn studie en de daarmede verbonden publicaties nodig. Want de Spaanse vondsten waren vele en velerlei.

Hij bracht in gedroogde toestand een eigenhandig verzamelde oogst mee van ruim 200 planten, die toen nog nimmer waren beschreven, ook niet door Spaanse geleerden. Over deze heren uitte Clusius zich in zijn brieven niet bizonder enthousiast, geheel in tegenstelling met zijn berichten over de Spaanse flora zelf, waarvan hij de rijkdom aan vreemde en zeer schone gewassen met vreugde in dezelfde brieven memoreerde. Zijn later werk legde van dit enthousiasme dan ook getuigenis af.

Verder had hij in afschrift meegebracht een aantal brieven van Nicolaes Kleinarts, den beroemden philoloog en philosoof. Clenardus was in 1531 van Leuven naar Salamanca gegaan, waar hij aan de universiteit college had gegeven in het Grieks en Hebreeuws. Een deel van zijn brieven had Clusius in Salamanca teruggevonden, een deel in Granada, in welke stad Clenardus in 1542 was overleden. Clusius had deze brieven van de originelen overgeschreven, omdat hij de inhoud daarvan belangrijk genoeg achtte voor publicatie.

De afschriften gaf hij dadelijk na zijn aankomst in Antwerpen aan Plantijn, die ze persklaar zou laten copiëren. In September was men daarmede gereed. De „visiteur” maakte geen bezwaren tegen de puhlicatie, hetgeen Clusius wegens sommige, minder aangename opmerkingen over de geestelijkheid wel had gevreesd en dat hem reeds had doen overwegen, om ze in Frankrijk of Duitsland te laten drukken, als het in de Nederlanden niet zou gaan. Ware dat geschied, dan zou Thomas Rehdiger behulpzaam zijn geweest bij een eventuele Franse editie. Maar de visiteur liet de zaak passeren, Plantijn ontving in November het

Sluiten