Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tekst zou schrijven, maar, als het al zo verre gekomen is, een dergelijke uitgave heeft nooit het licht gezien.

In Brugge zette Glusius zich aan de Latijnse vertaling van het werk van Garcia da Orta. Deze was oorspronkelijk medicus en als zodanig had hij gedoceerd aan de universiteit van Colmhra. Als lijfarts was hij met den onderkoning naar Indië vertrokken, had daar gedurende dertig jaren vertoefd en van zijn belangstelling en kennis der botanie blijk gegeven door de aanleg van een hortus botanicus te Bombay.

Oorspronkelijk was het werk, zoals uit de titel „Coloquios dos simples e drogas he cousas mediginais da India” blijkt, opgezet in de vorm van samenspraken. Clusius vertaalde en verkortte het werk, liet ook de oorspronkelijke vorm varen en voegde er eigen afbeeldingen aan toe, omdat het werk in de Portugese uitgave niet verlucht was. Het boek won daardoor aan wetenschappelijke waarde en bruikbaarheid en bereikte op deze wijze een groter en internationaal publiek.

De afschriften van de Spaanse inscripties stelde Clusius ter hand aan Laurin, die hem daarom had verzocht. Deze deed ze over aan Martinus Smetius, den archaeoloog en die verwerkte er ongeveer vijftig van in zijn „Antiquitates et Inscriptiones”. Maar Smetius werd, verdacht van ketterij, opgehangen vóór zijn boek gedrukt was; het manuscript zwierf jarenlang rond, tot het door Lipsius in 1588 werd uitgegeven. Zo zagen de afschriften van den Spaansen edelman tenslotte in Leiden het licht. Maar Garolus Glusius heeft zijn aantekeningen nooit teruggekregen.

Hoezeer Smetius het werk van Glusius had gewaardeerd, blijkt wel uit de brief, die hij hem 15 November 1565 schreef en waarin de volgende passages voorkomen:

„Uw Spaanse inscripties, zeer geleerde Glusius, heb ik gelezen en herlezen, en ik heb die, welke mij het minst, verminkt en als juist voorkwamen, onderdehand overgeschreven. Ik zou wel willen, dat alle met die nauwkeurigheid en juistheid, waarmede gij die weinige hebt afge-

Sluiten