Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zulke bescheiden middelen, soms zelfs van vriendengaven, moest rondkomen, een groot bezwaar. Wat hem tot dat ogenblik van verandering had weerhouden, was zijn tuin geweest. Maar de strenge winter, het gure voorjaar, de natte zomer en zijn afwezigheid, het trieste gevolg van zijn val, hadden de tuin in zulk een desolate toestand gebracht, dat hij besloot de zaak maar aan kant te doen, al berokkende hem dat nog zoveel verdriet.

Ook was Dr. Aicholtz overleden en met diens weduwe had Clusius moeilijkheden van allerlei aard; er vielen beschuldigingen over en weer, zoals men zich die tussen een invaliden geleerde en een redderige Duitse huisvrouw kan voorstellen, zodat Clusius al naar een ander onderdak zocht. Alleen de vraag, waar hij zich zou vestigen, hield hem nog even vast.

Met het volvoeren van zijn plan, om de tuin aan kant te doen, schijnt hij toch weinig haast te hebben gemaakt, want toen hij in Januari 1588 van Philippe de Sivry, den goevemeur van Bergen, een paar aardappelknollen ontving, toonde hij zich zeer dankbaar voor deze zending en begon ze in zijn tuin te kweken.

Terzelfdertijd evenwel nam het verhuisplan vastere vormen aan en dacht Clusius erover, zich te Frankfort te vestigen. Wilhelm IV, die, ondanks alle moeite, welke hij telkens weer aanwendde, Clusius niet had kunnen overhalen naar Kassei te komen, toonde zich enthousiast over dit plan, „dan ehr uns alsda in der nehe gesessen”. Hij liet het zelfs niet bij enthousiasme alleen, maar „wollten wir ihm jherlich und dieweil ehr an dem ortt wohnett ein hundertt gulden zuschiessen”.

Clusius ging niet naar de Nederlanden, uit vrees, dat de koning van Spanje de goederen, die hij nog in het Zuiden bezat, zou verbeurd verklaren. Clusius koos Frankfort, omdat deze stad dicht bij de Nederlanden lag, omdat hij door de jaarmarkten er contact zou hebben met allerlei vrienden, omdat de Protestantse godsdienst er vrij kon worden beleden en omdat hij daar het jaargeld van Wilhem IV zou ontvangen.

Sluiten