Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

jour qu’elles sont advenues ou qu’on m’a aseuré estre advenues”. Deze „Ephemérides” zijn tot dus ver, jammer genoeg!, nog niet teruggevonden.

Het jaar 1607 was wel geschikt om historische notities te maken, ook al waren de tijden misschien iets minder bewogen dan voorheen.

Na de krachtsinspanning der laatste jaren begon men zowel in het Noorden als in het Zuiden naar vrede te verlangen. Vooral Oldenbamevelt zag de toekomst somber in. Van Frankrijk, door binnenlandse troebelen in ernstige moeilijkheden, was niets meer te verwachten. Jacobus I van Engeland was voor de Spaanse zaak gewonnen, toen er kans scheen te bestaan op een huwelijk van zijn zoon met een Spaanse prinses, die dan de Nederlanden als bruidsschat zou ontvangen. De Duitse vorsten heten vooral na de dood van Jan van Nassau in 1606 zich liever niet met de Nederlanden in. Noch van enig offensief tegen Spanje, noch van een samengaan van alle Protestantse staten kon sprake zijn.

Men dacht er in ons land in 1607 weer sterk over, om nogmaals met de souvereiniteit te gaan leuren. Hendrik IV informeerde dan ook al naar de voorwaarden.

Oldenbamevelt vreesde voor het ergste en zag in een eervolle vrede of een wapenstilstand het enig redmiddel.

Ook de Zuidelijke gewesten, ook de Aartshertogen en zelfs Spinola begeerden rust en vrede. Zo waren reeds in 1606 onderhandelingen begonnen, zeer tegen de zi-n van Maunts en Willem Lodewijk. De slag bij Gibraltar, waarin Jacob van Heemskerck een aanzienlijke Spaanse vloot vernietigde, bracht de onderhandelingen, die weer op een dood spoor dreigden te lopen, snel vooruit.

Over dit alles kon Clusius De Thou natuurlijk uitvoerig inlichten, en zal dat vermoedelijk ook wel gedaan hebben.

De winter van 1607—1608 was voor Clusius heel droevig. In geheel West-Europa heerste toen een zeer strenge koude, die 19 December begon en met slechts enkele dagen tussentijdse dooi tot diep in Maart duurde. De binnenwateren lagen van voor Kerstmis reeds dicht, de

Sluiten