Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zicht van den onderteekenenden geneeskundige is geweest;

c. in geval van dysenteria bacillaris: dat in de ontlasting bij twee opeenvolgende onderzoekingen geen kiemen dier ziekte zijn gevonden ;

in geval van febris typhoidea of een van de beide, in artikel 2 genoemde vormen van paratyphus: dat in de ontlasting en de urine bij twee opeenvolgende onderzoekingen geen kiemen dier ziekten zijn gevonden;

in geval van vlektyphus: dat hij vrij is van luizen;

in geval van roodvonk: dat er geen ontsteking van keel, neus of oor bestaat;

in geval van meningitis cerebrospinalis epidemica of diphtherie: dat bij 2 opeenvolgende, met tusschenpoozen van ten minste drie dagen, verrichte onderzoekingen geen kiemen dier ziekten in het neus- en keelslijm gevonden zijn;

d. den naam van den onderzoeker of van de inrichting die het bacteriologisch onderzoek heeft verricht.

13. 1. Het vervoer van lijken van personen, overleden aan een der ziekten, genoemd in artikel 2 van dit besluit onder A of aan variola minor (alastrim), febris typhoidea of dysenteria bacillaris, moet geschieden in een kist, waarvan de bodem bedekt is met een tenminste 5 c.M. dikke laag houtzaagsel, turfmolm of tuinaarde.

2. In deze kist moet het lijk zoo spoedig mogelijk na het overlijden, in een met sublimaatoplossing gedrenkt laken gehuld, zijn gelegd. De kist moet nadat het lijk daarin geplaatst is, gesloten zijn geworden en gesloten gebleven zijn.

14. De besmettelijke ziekten, in verband waarmede artikel 13 van de wet toepassing kan vinden, zijn de ziekten genoemd in artikel 2, lid 1 van dit besluit (groep A) en variola minor (alastrim) van groep B.

15. 1. Het verbranden of op andere wijze vernietigen van voorwerpen, goederen of waren geschiedt op eene of meer door den burgemeester daartoe aan te wijzen plaatsen en zoodanig dat de algemeene gezondheidstoestand daardoor geen gevaar kan lijden en

Sluiten