Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Artikel 4.

(1) De geneeskundig leider van het adviesbureau, die op grond van artikel 2 een persoon heeft onderzocht, deelt aan den inspecteur het resultaat van het onderzoek schriftelijk mede; tevens stelt hij den inspecteur er van in kennis, wanneer bij een op grond van deze verordening onder controle van het adviesbureau staand persoon het gevaar voor besmetting niet langer aanwezig wordt geacht.

(2) Van de in het eerste lid genoemde mededeeling zendt de inspecteur afschrift aan den hoofdinspecteur.

Artikel 5.

(1) Op voorstel of na ingewonnen advies van den geneeskundig leider van het adviesbureau, waar het onderzoek heeft plaats gehad, kan de inspecteur, wanneer hij bij een persoon ernstig gevaar voor verbreiding van geslachtsziekten aanwezig acht, gelasten, dat de patiënt in een door den inspecteur aan te wijzen inrichting voor verpleging van zieken ter behandeling wordt opgenomen en daar zoolang zal verblijven, als de inspecteur met het oog op het besmettingsgevaar noodig acht. Er dient voor gezorgd te worden, dat tijdens de behandeling het overdragen van de ziekte onmogelijk blijft. Eventueel moet de patiënt worden afgezonderd. Bij de aanwijzing der inrichting voor verpleging van zieken zal zooveel mogelijk met de belangen van de patiënt rekening worden gehouden. De inspecteur brengt van een en ander verslag uit aan den hoofdinspecteur.

(2) Indien de patiënt zich aan de opneming onttrekt of het verblijf in de inrichting op eigen gezag beëindigt, kan de hulp van den sterken arm worden ingeroepen.

(3) Van het bevel zich in een inrichting voor de verpleging van zieken te laten opnemen, alsmede van de aanwijzing der inrichting kan de betrokkene in beroep komen bij den hoofdinspecteur. Door het instellen van dusdanig beroep worden het voor de opname vastgestelde tijdstip en het bevel tot verblijf in een inrichting niet opgeschort.

(4) Voor de kosten van opneming en verblijf is het bepaalde in artikel 3, lid 4, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6.

(1) Ieder geneeskundige, die een geslachtzieke behandelt, is verplicht, indien die patiënt zich zonder dwingende reden aan de door den geneeskundige noodzakelijk geachte behandeling onttrekt of de in het belang van zijn genezing gegeven voorschriften

Sluiten