is toegevoegd aan je favorieten.

Een menschenhart

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

pieperige oogies is zoo leeg als een schoon bord. Hij zegt: „Ik geloof dat jij pleizier in je werk hebt, is het niet?" Hij geeft hem zoo maar een duwtje, en hij wil doorloopen, en hij loopt ook door, maar hij komt toch weer terug ook. „Als je zoo oud bent als ik, jongeman", hij strijkt over zijn kale hoofd en over zijn blootebillengezicht, „dan ben jij niet meer in een grutterij werkzaam. Dan zijn er geen grutterijen meer, jongeman, dan komt alles van de fabriek en dan kan je het koopen in de kruidenierswinkel.' ' Hij doet of hij de profeet Jeremia is: hij kijkt wel door zes en dertig muren heen in de naaste toekomst. Gabe grinnikt over-stil. Hij mag alleen maar over-stil grinniken op zoo-iets. Hij kan niet zeggen: „Zou u dat denken, meneer?" En nog veel minder: „Dat denk ik toch niet, meneer." Nee — meneer is meneer. En hij is het knechie. Hij is het manussie van alles. Hij moet de papieren winkelzakken aanrijgen, en hij moet soms met een kwitantie naar een slechte betaler, of met een maan-brief en de klanten bedienen als het niet veel soeps is. Hij denkt: „De lieve God zal er mijn ook voor bewaren, om hier altoos te wezen!" En meneer gaat in de deur staan. En hij wurmt weer verder aan die dikke zak met boonen, die hij toch niet goed in zijn macht heeft daar op dat blauwe onderstel.

Het is al weer een aardig tijdje geleden, dat hij van school kwam. En Johannes zei: „In wat voor vak heb je nou zin?" Daar hoefde hij niet lang over te denken. „Als ik het voor het kiezen heb, dan vrachtrijer." Hij moet er nóu zelf ook om grinniken als hij er aan terug denkt. „Dat snotjoggie!" Maar toen was hij nog zoo