is toegevoegd aan je favorieten.

Het witte doek

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vreugde om Josje, die argeloos als steeds met haar lepeltje op den tafelrand timmerde?

Ze had het gevoel, dat wanneer ze eenmaal begon te huilen, ze nooit meer zou ophouden.

Just had haar al een paar keer met opgetrokken wenkbrauwen aangekeken, een grapje geprobeerd.

Ja, natuurlijk, hij was 't wel weer vergeten, dacht ze. Of zoo niet, dan beteekende zijn optreden in eigen herinnering niets dan een korte, gerechtvaardigde terechtwijzing. Het was nu eenmaal gezegd, gedaan, — afgeloopen! — Wie zich daar verder dik over wou maken, bezorgde alleen zichzelf narigheid.

„Ben je klaar om straks met z'n allen naar Noesa Kambangan te gaan?" vroeg hij joviaal.

„Noesa Bangan, Noesa Bangan!" juichte Josje. „Osje mee, Vade mee, Moede mee, Meny mee, Oom mee, ammaal mee!" —

Het tochtje was wel de moeite waard, al deed het schitterende water pijn aan oogen, waarachter tranen brandden.

Emy waagde af en toe een vriendelijk lachje in Moeders richting. Voor het oogenblik was het kind er overheen, dacht Maleen opgelucht.

En dan moest ze toch zelf ook weer lachen om Just, die Josje als een postpakketje onder zijn arm aan land droeg, en om de wild trappelende, weerstrevende beentjes, want Josje wilde immers altijd alles zelf doen. Op den vuurtoren echter, dien ze na een korte wandeling door het oerwoud, waar lianen over het pad hingen en wilde pauwen schreeuwden, bereikten, hield ze toch stevig Vades hals omklemd. Want voor den eersten keer in haar korte leven was Josje bang — bang voor de gapende diepte. Maar gehoorzaam keek ze eerst in de verte, naar dansende visschersprauwen, dan langzamerhand naar punten dichterbij, die Vade haar spelenderwijs wees, en voor ze 't besefte hing Josje gevaarlijk ver over Vades schouder pal naar beneden te kijken naar de heel kleine menschen en dieren.

De jonge tijgers, die de administrateur van de rubberonderneming er als huisdieren op nahield — weliswaar achter tralies, maar zeer onvoldoende afgesloten — wilde ze wel aaien, maar dan toch op een afstandje. „Ad je me maar!" riep ze uitdagend, toen ze het zirmetie. dat Vader haar influisterde» verstaan Viarl