is toegevoegd aan je favorieten.

Dorp aan de rivier

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dokter van Taeke gaat weer bij de pont kijken, er is nog ruim open water, hij kijkt naar de klossen en de kabels. Dan zegt hij:

— Nardje, als ge een man bent, dan kunt ge. Ik zeg, dat het gaat.

De boeren staan al bij hun paarden en nemen den toom. Natuurlijk kan het. Nardje heeft niets meer te vertellen. Ze rijden het veer op. En Nardje begint den tocht. Ge moet hem zien, zoo druk en bedrijvig als hij loopt. Ze helpen hem allemaal. Ze staan voorovergebogen over de leuningen met gerekte armen, ze hebben alle werk om het ijs van de zwiepende staaldraden en van de klossen te houden. Het hokt en stoot. De pont wordt opgeduwd, getild, het kraakt in de gebinten, de staaldraad slaat omhoog en rukt terug. Nardje gilt:

— Hij ligt er uit!

Neen. Hij ligt er niet uit. Het is een werk van belang. De kabel staat trillend gespannen en Nardje, zweetend in den wind en in de koude, blijft maar staan vloeken en te keer gaan tusschen de karren en de paarden in. Maar met al hun moeiten komen ze aan den anderen kant. De boeren mogen blij zijn. Ze leiden het paard den veerdam op en springen op de kar. Dokter van Taeke wandelt ook de pont af. Hij hoeft niet ver te loopen naar Dirk van Alem, het is de moeite niet om paard en rijtuig mee te laten overzetten. Hij roept naar Nardje de Wit: