is toegevoegd aan je favorieten.

De biecht van een bezetene

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meisjes de meisjes liet en bij de dansles gevreesd werd als teenentrapper; één van wien men zeide: ,,je weet niet, watje aan hem hebt," en een ander: „stille waters hebben diepe gronden."

Hij ging zoo geheel zijn eigen gang, die vlug opgegroeide H.B.S.-jongen, en alleen hij voelde in zich het ontwaken van razende driften, die hem verbijsterden.

Was het juist niet die onderdrukte razernij, welke hem afgezonderd, gesloten en voorzichtig maakte? Met wie kon hij spreken over zijn felle levensdrift, wie nu eens zeggen, dat hij heel goed waarnam het leven der volwassenen en het hem geen stuiver waard leek? Wie kon hij het toegillen, dat hij het leven gebruiken wou om te leven, niet zich wou verstrikken in het warnet der conventies en dat hem beangstigde het vliegen van den tijd door dagen, welke niets, letterlijk niets vasthielden?

Hij had „De Kleine Johannes" gelezen en „Het zeegeruisch zal ik nog dan gedenken, als diep in 't zand mijn hoorloos oor vergaat."

„Schuld en zonde is beter dan braafheid," schreef hij eens in een schoolopstel voor de ontstelde oogen van een ouden leeraar en een anderen keer: „God geeft ons de zonde, om niet in braafheid te stikken en de hel toe te vallen."

O, dat kleine miezerige peuterige leven, terwijl binnen in je een wereld instort en weer wordt opgebouwd, die krakerige duffe doening van de dooden, terwijl men zelf laait van drift en het leven voorwaarts stormt als een losgebroken strijdros!

Wie mint den nevel en den mist boven den bliksem?

Hij niet, die vergeefs het gevaar zoekt, dat hij mint, en het risico wil, waartegen hij beschermd wordt. Hij niet, die door een diepen drang wordt opgestuwd tot den daad, en het leven veracht, dat vastgelegd is als een