is toegevoegd aan je favorieten.

Het waterstaatsverleden van de provincie Groningen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de Beckeringhkaart voorkomende Oude Swaagzijl verklaart; later is ook hier de afwatering binnenwaarts geleid.

De later hierbuiten aangewonnen polders (Oostwolder 1769; Finsterwolder 1819; Reiderwolder I 1862; Carel Coenraadpolder 1924/25) zijn niet meer in het Termunter zijlvest ingelaten; ze hebben thans een gemeenschappelijke uitwatering bij Fiemel op de Eems; eertgenoemde twee hebben aanvankelijk nog langs de Oude Geut op den Dollard geloosd door de Oostwolderpolderzijl en de Finsterwolderpolderzijl; bij den aanleg van den Reiderwolder polder is evenwel de loozing naar Fiemel verlegd, waarheen later ook de Reiderwolder polder volgde, die aanvankelijk (en nog in 1873) op de Beerster Mude loosde, terwijl de Carel Coenraadpolder reeds bij zijne bedijking binnenwaartsche afwatering verkreeg.

33. De zoog. Drie-, Vier-, Vijf-, en Tienkarspelen-zijlvesten. Omtrent de details der vorming van den Oostelijken Dollardarm en den aanleg van de eerste dijken langs zijn omtrek is vrij wel niets overgeleverd. Meldt Rengers x) op grond van overlevering, dat in 1418 tusschen Blijham en Winschoten reeds eb en vloed ging, anderzijds blijkt uit de overeenkomst van 1420 en uit het Munsterschpastorieregister omtrent den toestand in 1433 2), dat destijds een groot deel der dorpen in den Dollard nog niet verdwenen was, hetgeen natuurlijk eene gedeeltelijke inundatie, gelijk in 1916 in Noordholland optrad, niet uitsluit. De Dollard moet aanvankelijk zijn opgedrongen langs de Westerwoldsche A; hare linker zijrivier, de Tjamme, vormde in 1420 nog de scheiding tusschen Reiderland en het Wold Oldambt; de benedenloop dier Tjamme strekte destijds voorbij Finsterwolde nog door Torptsen en Meggeham, voorbij het toenmaüge Reiderwolda tot Tijdwynedaborch in de Wynedaham (vermoedelijk in de omgeving van Palmaer) en mondde dan waarschijnlijk aldaar uit in het overstroomingsgebied langs de Westerwoldsche A, waarvan uitbreiding vermoedelijk voorshands nog gekeerd werd langs van ouds bestaande polderkaden. In 1478 worden Bellingwolde en Blijham door Groningen aangeduid als Oldambt aan gene zijde des Dullaarts 3). Het langst hebben stand gehouden de terpdorpen op den kleigrond langs den vroegeren Eemsdijk, die van Reide naar Nesserland bij Emden gericht was; Fletum liet in 1464 een nieuwe klok gieten; in Torum werd in 1507 nog recht gesproken; het nonnenklooster van Oosterreide werd in 1534 verplaatst; de kerk van Westerreide bestond nog in 1575 4). De 17e eeuwsche kaarten van de Provincie vertoonen ter plaatse van die voormalige kleistrook nog een reeks van eilanden, waarvan aan het einde der 18e eeuw blijkens de kaart van Beckeringh nog een zestal zijn overgebleven, in den Noordoosthoek van den Dollard, alwaar ook het voormalige Torum gelegen zou hebben.

Aanvankelijk beperkte men, naar o. a. uit de hoogtekaart valt af te leiden, zich tot partieele inpolderingen in aansluiting aan de hoogere gronden langs den omtrek van den Dollardarm, waarbij de Westerwoldsche A, de Pekel A en de Rensel tusschen kaden vrij naar zee bleven afstroomen. Later worden die riviertjes

!) H. O. Feith (17) I blz. 116. a) Oork. D. 1 noot 2 en 3. 3) Tegenw. Staat (59)

dl. 21, blz. 414. 4) C. Woebcken (77) blz. 41 en (78) blz. 75.