Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hadden ze gezien, hoe één van die stukken vlakbij een bos prasara x) lag en door de tocht van de openstaande deur feller begon te gloeien. Het enige, waar ze aan dachten, was het lukken van hun plan, om den Chinees bang te maken.

Er waren maar weinig dingen, die A Tsoi zijn Chinese rust konden ontnemen; daaronder nam zijn haat tegen Javanen een voorname plaats in. Eens hadden een paar Javanen 's nachts zijn kippenhok leeggestolen; hij had lawaai gehoord op het erf en vóór hij goed wist, wat hij deed, had hij z'n luik opengestoten en geroepen: „Ze stelen m'n kippen!"

„Goed geraden!" hadden de dieven brutaal geantwoord en zich met hun buit uit de voeten gemaakt.

Sindsdien had A Tsoi geen kippen meer gehouden; alles, wat maar 'n schijntje waarde had, van z'n erf in huis genomen, maar tegelijk aan al z'n goden een dure eed gezworen: Als ze in m'n huis durven komen, schiet ik ze dood!

Zo dromerig en vreedzaam kon hij niet over z'n toonbank hangen, of men kon hem helder wakker krijgen met te zeggen, dat Javanen toch wel 'n goed volk waren. Dan schudde hij heftig zijn hoofd en herhaalde tot in den treure: „Japanesi? Soso poepoeroeman 2)!"

Nu had hij gehoord, dat de Javanen van Waterlo zouden komen; voor hem stond het vast, dat ze enkel kwamen, om te roven en te plunderen. Meteen had hij z'n winkel gesloten en zat nu met geladen revolver op de loer achter de toonbank, grimmig bereid, om de eerste de beste Javaan, die zou binnenkomen, neer te schieten. Ingespannen luisterde hij naar geluiden, die hij verwachtte, het joelen en schreeuwen van een plunderende bende, schoten, gillen, vloeken. In plaats daarvan hoorde hij opeens een geweldige bons tegen de muur van het achterhuis; hij schrok meer dan de jongens hadden kunnen verwachten, maar bang was hij niet. Met de revolver in zijn hand sloop hij onhoorbaar naar de keuken, waar hij de bons gehoord had. Het bleef doodstil, tot een nieuwe slag, nu tegen de winkelluiken, hem opnieuw deed opschrikken.

Onmiddellijk sloop hij naar de winkel, maar nauwelijks daar ge-

') Prasara: soort palm, dat door de arme mensen in de districten vaak bij het bouwen van hutten gebriukt wordt.

2) Eigenlijk: foefoeroeman, maar de Chinezen spreken in 't Neger-Engels de f bijna als een p uit; bet.: Javanen? allemaal dieven!

Sluiten