Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

goed afliep. Maar wat? Hij keek eens naar Roland; zou die ook bidden? Die was Christen, maar sprak nooit ergens over en ging ook bijna nooit naar de kerk. Maar Rolands gedicht stond heel vrolijk; hij besefte blijkbaar niet, waarom ze gevangen genomen waren. Hij zou het verschrikkelijk vinden, te sterven, maar hij zou er toch ook aan moeten geloven, hij had te veel gezien, dan dat ze hem niet voorgoed het zwijgen zouden opleggen.

Dat was nog het ergste van alles: Roland zou om hem moeten lijden, omdat hij in z'n trouwe vriendschap hem was komen opzoeken!

Max sloeg zijn ogen omhoog, naar de hemel, en, als door een plotselinge ingeving verlicht, sprak hij zachtjes voor zichzelf, maar heel nadrukkelijk: „God van de Christenen, als U maakt, dat alles goed afloopt, voor Roland, voor mij en voor vader en mijn broertje en Zusjes, dan beloof ik U, me te laten dopen."

Hij had een vaag besef, dat hij hiermee iets gewichtigs beloofd had en bleef nu stil wachten, of zijn belofte aangenomen en zijn gebed Zou verhoord worden.

Eensklaps klonk van achter de naastbijzijnde struiken een zacht, maar doordringend gesteun, dat zowel de beide jongens als hun bewaker deed opschrikken. Was dat een mens, of een dier of een spook? Onbeweeglijk luisterden ze alle drie en keken met opengesperde ogen naar de kant, vanwaar het geluid gekomen was. Ongeveer een minuut bleef alles doodstil, dan hoorden ze het opnieuw, nog akeliger en onheilspellender dan te voren; het brak af met een felle gil, als van een kind in doodsnood.

De struiken ritselden zacht; duidelijk zagen ze nu iets wits schemeren door de takken heen; daarboven twee gloeiende ogen, die hen aanstaarden en heel langzaam dichterbij kwamen, terwijl voor de derde maal een akelig kreunen duidelijk hoorbaar was, gevolgd door het zachte sissen van een slang.

Dat was te veel voor de jongens; ze gilden het uit en schreeuwden om hulp; hun bewaker had bij het eerste geluid zijn dolk vaster in de hand genomen, maar overtuigd, dat hier boze geesten in het spel waren, die 't misschien op hem gemunt hadden, smeet hij zijn dolk neer, en vluchtte, waarheen zijn benen hem maar dragen wilden.

Nauwelijks was hij weg, of het witte verdween, de gloeiende ogen schenen omlaag te vallen, een paar takken kraakten en voor de

Sluiten