Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Enkelen van Natimans vrienden voelden aankomen, wat er gebeuren ging; Karbani was zo zeker van zijn zaak! Ze wilden hem tot voorzichtigheid aansporen, maar Natiman liet hun de tijd daar niet voor.

„Ik, Natiman, heb den jongen gebonden en op een veilige plaats verborgen! Wie durft zeggen, dat ik het niet goed gedaan heb? Nou, wie?

„Ik" klonk opeens een vrolijke jongensstem vanachter de laatste rijen, „ik, Max, de zoon van Suratno!"

Natiman sprong op, allen keken naar de kant, waar de stem vandaan kwam, en zagen tot hun overgrote verbazing, drie lachende jongens; middenin de Javaanse jongen, die met spottende stem, als gold het een spelletje, voortging: „Ja, kijk maar, ik ben het, Max Suratno; Natiman, jij vooral, kijk maar goed! Ja, jij hebt me met twaalf mannen overvallen, alleen durfde je niet! Maar je bent even dom als laf; je kunt niet eens een knoop leggen, om een jongen vast te binden, je kunt niet eens een jongen in je macht houden! Man, ga naar de kleine school en leer daar vlechten! Misschien kun je daar mandoer worden ook, over die kleine kleuters! Maar neem dan je twaalf vrienden weer mee, anders kun je ze nog niet baas! Niemand hoeft bang te zijn, dat Natiman straf zal krijgen; mijn vader heeft wel andere dingen aan zijn hoofd, dan zich met zulke lummels te bemoeien!"

Deze laatste zet was Max ingegeven door Karbani's oude vriend en bereikte zijn doel volkomen. Dat het slachtoffer van de overval er zelf zo licht over dacht, ontnam aan de toestand alle ernst; nu was er ook geen enkele reden meer, om Natiman trouw te blijven.

Deze werd door het gelach en geschreeuw der vergadering wild van woede; hij zag alleen nog maar het lachende, uitdagende gezicht van den jongen, dien hij zo zeker in zijn macht meende te hebben en die hem nu, in plaats van de overwinning een schandelijke nederlaag bezorgde. Bij Max' laatste woorden was hij opgesprongen; het hoongelach, wat er op volgde, was meer dan hij verdragen kon. Hij trok zijn kris uit de schede en stormde op Max af; nauwelijks bemerkte hij, dat vier mannen, houwer in de hand, voor den jongen gingen staan; hij wilde steken, steken, steken! Er zou werkelijk bloed gevloeid hebben, als niet een der Javanen, langs wie hij liep, zijn been

Sluiten