Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eindelijk was ze weer buiten bij den politieagent.

„U kunt me geloven of niet," zei ze,,,maar de jongen is verdwenen, zo zeker als ik hier sta."

„Eigenaardig," zei de politieagent. En hij keek de lucht in, alsof hij verwachtte, dat Peter daar rondvloog in een klein Pandertje.

Gelukkig maar, dat hij de andere kant van het huis niet kon zien. Want daar hing Peter, nadat hij voorspoedig uit het zolderraam geklommen was, aan de dakgoot en zijn voeten zochten voorzichtig naar een steuntje tegen de afvoerbuis, die schuin naar beneden voerde. Het was voor het eerst, dat Peter probeerde, op deze manier naar beneden te komen. Tot nu toe had hij nog nooit gemerkt, dat een achterdeur aan een huis noodzakelijk was. Voetje voor voetje, beurtelings een hand verwisselend om wat lager te grijpen, kwam hij langzaam naar de grond. Die grond vormde een binnenplaatsje, dat achter het pakhuis van een kruidenier lag; Brans heette hij. Ho, daar trok een roestige spijker een nieuw gat in Peter's broek. Daar kon hij nu geen acht op slaan, hij was bijna beneden en dat was het voornaamste. Behoedzaam keek hij achter zich om. Er lag een stapel zakken juist onder het einde van de pijp. Zou hij het wagen, zich daarop te laten vallen ? Het zou hem nu zijn hoofd niet meer kosten. Een, twee, drie, daar ging hij. Sjonge, dat viel toch niet mee. Wat suf van de schok kroop Peter op en blies in zijn handen, die vol roest zaten en zeer deden van het stijve vasthouden. Hij ging op de zakken zitten. Wat jammer, dat daar alleen bonen in waren! Peter had het gevoel, dat hij wel wat eetbaars kon gebruiken en bij gebrek aan verse appelen zou hij zich wel met gedroogde beholpen hebben.

Na een paar minuten stond hij op en ging naar de grote dubbele deur, die toegang gaf tot het pakhuis. Wat

Sluiten