Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vader hoefde Tony daarbinnen niet te sturen. Hij reed zelf met een kalm gangetje naar de plaats, waar vader hem altijd aan een ring vastzette. Hij stoorde zich niet aan al het geloop en geroep om hem heen. Hij scheen van plan, hier weer even vast in te dutten als daar straks buiten op de gracht.

„Denk eraan, dat je bij de wagen blijft en geen ondeugende streken uithaalt!" waarschuwde vader Peter.

„Ja, vader, neen, vader," beloofde dejongen. Hij keek zo zoet, dat vader hem voor geen halfje geloofde..

„Denk eraan: ik zal je zelfbij de politie aangeven, als je ook maar iets aanraakt, dat niet van jou is," dreigde hij.

Peter trok een verongelijkt gezicht. Hij had zijn belofte echt gemeend.

Daar verdween vaders welbekende figuur achter de deuren van de veiling. Nu zou hij gauw daar ergens in de banken zitten, de groenten betasten, die langs hem heen gereikt werden, en op het belletje drukken, als hij een goede koop kon doen. Wat zou Peter dolgraag ook eens op het belletje drukken! Maar daarbinnen zou zijn vader hem wel nooit meenemen. Misschien mochten daar ook wel geen jongens komen. Hij zou moeten wachten tot hij groot was. Och, och. Peter zuchtte. Klein vond hij zichzelf niet meer, maar groot was hij toch ook nog lang niet! Als hij groot was, nam hij een auto en niet zo'n dood, saai paard! Peter was altijd nogal trots geweest op Tony. Hij was de enige jongen in de klas, wiens vader een paard had. Maar vanmorgen zag hij te goed, dat het paard oud was en versleten. Een sjok-sjok-paard, dat sliep zo gauw als het stilstond. O, het was goed, dat Tommie er was.

Peter haalde de hond uit zijn mand. Hij nam hem naast zich op de wagen en streek hem over zijn vel en praatte tegen hem. Als het al helemaal zijn eigen hond

Sluiten