Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bracht vader en den vreemden man boven twee kleine glaasjes. Peter keek telkens tersluiks omhoog.

Vader leunde met allebei zijn ellebogen op de tafel. Hij keek boos. Peter zou niet graag willen, dat vader ooit zo naar hem keek. De vreemde man pleitte en pleitte. Soms lachte hij vader uit, soms haalde hij zijn schouders op. Hij had ook een eigenaardige manier om met zijn hoofd te knikken; het leek, of hij het tussen zijn schouders uit wilde drukken. Hij knipte ook telkens met zijn vingers als hij dat deed, alsof hij dan zei: „Niet dat!" Toch bleef vader ernstig kijken. De man bestelde nog twee glaasjes. Hij zei lachend wat tegen de juffrouw. Het was net, of hij vader uitlachte. Peter kreeg een gevoel, of hij met dien vreemden man eens graag zou willen vechten. Maar nu liep de juffrouw naar de radio naast het buffet. Ze draaide, tot de muziek met schetterende klanken het kleine vertrek injoeg. De vreemde man praatte nu nog veel harder. Hij hoefde niet bang te zijn, dat iemand behalve vader hem nu hoorde boven dat lawaai uit.

Na de muziek kwam er „praten". O ja, dat kende Peter. Zo gauw als de muziek erg mooi was, hield ze opeens stil, omdat er daar ergens in de verte iemand was, die wat aan de mensen had te vertellen. Ho, de juffrouw wist raad. Ze draaide weer tot ze een ander station had. Ze had weinig geluk. Ook verderop praatte er iemand. Ze viel midden in een verhaal. Duidelijk klonk het door de gelagkamer: „....bruin, lang, zijde-achtig haar. Men wordt verzocht deze hond...."

Verder draaide de juffrouw. Daar had ze eindelijk muziek. Die kwam licht en jolig ergens uit een ver land. Peter lette toch niet op het wijsje. Hij moest aan de enkele woorden denken, die hij zo toevallig had gehoord. Hij zou wel een domme jongen zijn geweest, als hij niet begrepen

Sluiten