Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IV. EEN HONDJE IN EEN PADVINDERSHOL

Peter kreeg van zijn moeder een kop koffie met een stuk kantkoek erbij, net als vader. Dat had hij nu wel verdiend ! Vader maakte haast met uitdrinken. Ja, waarom eigenlijk ? Hij had best de tijd om een kwartiertje rustig bij moeder in de keuken te zitten en haar van alles over de veiling te vertellen. Maar vader kon nu eenmaal niet goed stilzitten. Hij schonk de hete koffie over in zijn schoteltje, omdat hij geen geduld had om te wachten, tot ze was afgekoeld. Peter deed hem dat na. „Heb jij ook al geen tijd?" vroeg moeder plagend.

Peter zei maar niets. Vader zei immers ook niets! Hij dacht toch: Ik héb geen tijd. Ik moet dat kind achterop. Ik wil weten, waar ze mijn Tommie laat. Straks gaat zeer met mijn hondje vandoor. Hij had er nu spijt van, dat hij Fien het hondje had gegeven. Hij kende haar haast niet en daarenboven was ze een meisje. Wat kon je van een meisje verwachten ?

En ondertussen stond Fien op de gracht met het krabbelende hondje in haar armen. Ze dacht: Waar naar toe ? Ze keek om zich heen. Ze zag de gracht met een schuit erin. Langs de kant duwde een man die voort met een boom. Neen, dat bracht haar geen goede gedachte. Ze

Sluiten