Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zwier. Hij gooide breed het portier open, hij rekte zijn benen, terwijl hij op de straat stapte, hij klapte het portier weer achter zich dicht. Dan liep hij, wat hoog in zijn schouders en met die vlugge stap van mij-wachten-nogeen-kleine-honderd-patiënten. De dokter stapte bij den schoenmaker binnen zonder bellen. Hij riep met zijn luide stem: „Freek, Freek, drommels, waar zitje, jongen? Ik had je op de straat moeten zien!"

De moeder van Freek kwam aangehold. Ze droogde haar zeepsophanden nog af aan haar schort, want ze was aan het wassen.

„Dag, dokter," zei ze, „hoe gaat het met u? Komt u toch binnen. Wat zegt u wel van onzen Freek? Zit hij niet fijn?"

„Wat ik zeg? Ik zeg, dat hij buiten moest zitten in plaats van in een duffe kamer," bromde de dokter.

„Maar, dokter, dat zit hij toch!" Moeder keek, of ze het in Keulen hoorde donderen.

„Zo, en waar dan? Op een tochtig binnenplaatsje zeker," smaalde de dokter.

„Weineen, buiten. Buiten voor de deur!"

Moeder stapte zelf de stoep op. Maar zij zag ook geen Freek. Ze liep naar vaders werkhokje.

„Daar is nu de dokter en Freek is weg!"

„Freek weg ?" Vader stond op. Hij nam onwillekeurig de spanriem in zijn hand, waarmee hij zijn andere jongens mores kon leren. „Freek weg ?" herhaalde hij. „Waar is

Freek dan naar toe?"

„Ja, wie zal het zeggen?" vroeg moeder. Ze stond gewoon verbijsterd. Freek, die tot gisteren nooit alleen buiten geweest was, bleek nu zo maar weg te zijn. „En de dokter wil hem zien," herhaalde ze.

„Ik ga hem subietelijkhalen,'' bromde deschoenmaker.

Sluiten