Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Zijn we soms niet goed geweest voor Tommie?" vroeg Peter boos.

„Mijn moeder zegt, dat het toch niet kan," riep Joop met zijn schelle stem. „Ze heeft jullie allemaal uitgelachen. Ze zei: Ja, je maakt zó maar een hondenasyl!"

„We maken geen hondenasyl," verweerde Peter. „En 't kan me niets schelen, al lacht jouw moeder om me. Als mijn eigen moeder het maar niet doet!"

Joop stond een ogenblik na te denken. Nu kwam er wat gemeens, want zó was Joop.

„Als je zo'n hoop honden te eten wil geven, heb je een hondenasyl," zei hij. „En mijn moeder zegt, dat jullie moeder niet eens eten voor jullie heeft, dus zeker niet voor allemaal straathonden."

„Straathonden eten afval," schreeuwde Peter kwaad. ,,En dat krijg je langs de deur." Toen balde hij zijn vuist en stompte Joop tegen zijn neus. „Daar — zó, zeg nou nog eens, dat mijn moeder geen eten voor ons heeft!"

„Ksj, ksj, ksj, Joop," riepen de andere jongens.

„Goed zo, Peter, goed zo," juichten ze.

Zo was het met de jongens. Ze keken niet, wie er gelijk had. Ze vonden het alleen maar fijn, als er een paar eens flink begonnen te vechten.

„Ik laat me niet stompen," riep Joop woedend. Anders was hij bang van Peter, maar vanavond leek hij al zijn angst vergeten. Hij sloeg zijn lange, magere armen uit en hij pakte Peter zo hard bij zijn kiel, dat die aan de kraag scheurde. Toen vochten de jongens. Ze rolden hijgend en mekaar beukend over de straat.

Vast zou Peter het gewonnen hebben. Peter was ontegenzeglijk de sterkste en hij was niet kleinzerig. Joop voelde iedere stomp die hij kreeg. Hij huilde, terwijl hij sloeg. Alle jongens gunden dan ook Peter de overwinning.

Sluiten