Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

moeder, nadat ze uitgemopperd was over Peter's gehavende kleren.

„Dat weten zulke jongens natuurlijk niet eens," bromde vader.

„Wel waar, dat weet ik best," riep Peter uit. „Joop zei, dat onze moeder geen eten voor ons had. En dat is een gemene leugen!"

„Zo, zo, zo!" Vader schudde zijn hoofd. Hij praatte niet meer over het vechten. Hij keek stil voor zich uit, zoals hij dat zo dikwijls deed de laatste tijd. Moeder zuchtte verdrietig: „Zoiets zeggen zulke apen van jongens nu al!"

Peter streed op: „Zo'n fijne appel, als wij vanavond gehad hebben, kreeg natuurlijk geen enkele jongen!"

„Ga jij nou maar slapen," zei vader gemelijk. -

Peter verdween in zijn hokje. Toen moeder langs liep naar de keuken, riep hij haar. Hij had al even in bed gelegen en hij had de tijd gehad, om na te denken over alles, wat hij vanavond had gehoord.

„Moeder, is het waar, dat wij moeten verhuizen ?" vroeg hij.

Toen gebeurde er iets, wat hij allerminst verwachtte. Moeder pakte de slip van haar schort en daarachter begon ze te huilen.

„Wordt dat ook al van ons gezegd?" riep ze uit. Ze ging op de stoel zitten, zo maar op Peter's goed. Peter keek benauwd naar haar verdrietige bewegingen.

„Huil maar niet, moeder," troostte hij. „Morgen ga ik vijfentwintig gulden voor u verdienen. Daar kunt u toch zeker een hele tijd mee toe!"

„Vijfentwintig gulden ! Ach chutte chutte chut, snikte moeder. Ze kwam naar Peter toe en ze streek hem over zijn gele haren. „Je bent een best ventje, Peter. Een goeie jongen, dat heb ik altijd gezegd," snikte ze.

Sluiten