Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„O, o!" Fien danste. „En dan moet je net doen, of je een marmotje onder je kiel hebt." Ze zong: „Heb je^m n marmotje niet gezien, het is zo'n aardig beestje.... ^

„Jouw stem is veel te mooi voor een woonwagenkind, zei Peter. Hij zong het liedje zelf over met een schorre keelstem. Fien deed het hem dadelijk na. „Hoor je wel?

Ik ken het ook."

„Maar je ziet er veel te fijn uit," zei Peter.

Fien keek een ogenblik verlegen naar haar jurk. Ja, hij was te mooi voor een woonwagenkind.

„Luister eens," zei ze. „Ik hol naar huis. Dan doe ik een jurk van m'n zusje aan, zo een, die me veel te lang is. En dan moet je mij ook een zak op m'n rug geven. Woonwagenkinderen lopen altijd samen.' (j „Misschien wil een van de andere jongens wel mee,

probeerde Peter nog.

„Niks hoor," zei Fien. „Ik ben toch jullie akela! Daar schoot ze al weg. Peter riep haar nog achterna:

„Ik kom naar jullie toe!"

„Ik wacht in de poort," riep Fien. Ze struikelde nog een keer van het harde lopen. Woonwagenkind! Dat had ze juist altijd zo graag willen zijn. Verbeeldje, dat zij eens een vader met een wagen en een paard had gehad, in plaats van een vader met een mooie winkel. Alle dagen op de weg! De ene week hier wonen, de andere week daar! Liedjes zingen, stoelen matten en vragen: Geef me een centje, mijnheer! Het was juist iets voor Fien. Ach ja, zo was het altijd. Een echt woonwagenkind woonde natuurlijk liever in een winkel en het kind uit de winkel was liever in een

woonwagen! .

Gelukkig was moeder op haar slaapkamer bezig. Ze dacht misschien wel: Waar draaft die Fien naar toe ? Maar zij nam de moeite niet, om een hoekje

Sluiten