Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een jongen en een meisje, warm en moe, met de bedelzak op de rug! Wat leken ze kleintjes in de brede straten! Wat sloften ze echt-armoedig de tuinen door. Makkelijk hadden ze het niet. Hier werden ze weggejaagd door een bozen tuinman. Daar blafte een hond hen kwaadaardig aan. Er waren dienstmeisjes, die scholden: „Maak datje wegkomt, of we bellen de politie op!" Maar er waren ook goede meisjes, die de kinderen aan de achterdeur lieten komen en die heel bereidwillig al het oude brood en de aardappelen en wat ze maar hadden in Peter's zak lieten glijden.

Peter's verhaal werd hoe langer hoe mooier. Bij de vijfde villa waren de twintig honden al circushonden, die de prachtigste toeren konden verrichten, maar die, ocharme, hun werk haast niet meer konden doen, omdat ze geen eten genoeg kregen. „Daardoor beven hun poten te veel, begrijpt u," zei Peter heel vertrouwelijk tegen het aardige dienstmeisje, dat lachte en zei: „Je weet het in ieder geval mooi te vertellen."

„Jó, ze geloven je niet," waarschuwde Fien.

„Ze heeft me een half brood gegeven," zei Peter. Dat vond hij het beste bewijs, dat hij wel geloofd werd.

Langzaamaan begon nu ook Fien in haar rol te komen. Ze zong uit zichzelf een ander liedje: „Moet dwalen, moet dwalen, langs bergen en langs dalen. ..." Haar stemmetje klonk zo lief, dat een oude mevrouw zelf vanuit de tuin naar haar kwam kijken. Fien had nog nooit zo'n echt deftige dame gezien. Ze kon de oude koningin-moeder wel geweest zijn! Ze had zulk prachtig wit haar en ze droeg een zwart kanten sjaal over haar kapsel.

„Wel, m'n lieve kind," zei ze, „wat kan jij netjes zingen!"

Sluiten