Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

was toch altijd nog beter om een vader te hebben, die je sloeg, als je niet genoeg thuis bracht, dan helemaal geen vader. Waar zou ze moeten slapen vannacht, als ze niet meer op haar lompenbed in de woonwagen kon kruipen? O, o, o, nu moest ze hard lopen en ze had verschrikkelijke blaren onder haar voeten. Haar schoenen waren ook zo kapot. De schoenen van Fien waren helemaal niet kapot. Maar ze hinkte toch erbarmelijk en ze kwam werkelijk

maar langzaam vooruit.

Daar was ze toch aan de brug, daar liep ze toch over de Vest. Daar gleed ze tussen de struiken door en daar was ze aan het huisje. De deur stond aan. Die domme jongens hadden hem niet goed gesloten. Ze ging naar binnen. Haar hartje klopte wat angstig. Nu ja, het was dan ook wel wat griezelig om daar zo maar in een leegstaand huis te kruipen en dan nog wel in een, dat zo in het halfdonker verscholen lag. Ze meende eerst, dat ze er leven hoorde. Dat was toch niet waar. Ze haalde Tommie uit de zak. Die was nog lui, kramperig in zijn pootjes en knipperig met zijn ogen. Fien ga.f hem wat oud brood op de zolder orn mee te spelen. Ze streelde hem nog eens en deed het luik zorgvuldig achter hem dicht. Toen klom ze terug naar beneden.

Weer was het doodstil op de Vest. Weer scheen er de zon en maakte die stilte zo glanzend wit en warm, dat Fien boven een ogenblik stil moest staan, om aan het licht te wennen. Toen liep ze terug, goed langs de kant, want ze was bang, dat iemand haar zien zou zo dicht bij huis. Ze kwam niemand tegen behalve een kleinen man met een bult, die ook dicht langs de kant liep en haar nijdig aankeek. Fien keek nog eens naar hem om. Wat een enge man was hij. Toen ze weer eens en weer eens omkeek, zag ze net, hoe hij vlak bij hun huisje tussen 't struikgewas verdween.

Sluiten