Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rustig zitten, goede mensen. Kinderen, Peter, jij vooral, huil maar door om je vader. Je hoeft heus niet in de winkel te komen kijken. Hier is een goede vriend. Hij weet de weg. Hij loopt wel door."

De kapelaan was binnengekomen. Hij was de winkel doorgegaan en de trappen op. Hij liep door de gang en hij klopte aan de kamer. Zonder op antwoord te wachten kwam hij binnen.

Moeder stond niet eens voor hem op. Ze had nu te veel verdriet om aan de beleefdheid te denken. De kapelaan kwam naar haar toe.

„Wat hoor ik nu, moeder ?" vroeg hij.

Moeder gaf geen antwoord. Peter kon niet uitstaan, dat de kapelaan iets van vader zou zeggen.

„Mijn vader is geen dief," riep hij weer.

„De kinderen weten van niets," zei moeder nu zacht.

„Maar zouden we het dan niet aan de groten vertellen?" vroeg de kapelaan.

„Als u vindt, dat het moet, dan doet u het maar," zei moeder.

Toen gaf de kapelaan aan de kleine meisjes twee dubbeltjes. Daar moesten ze repen voor gaan kopen in een winkel, die dicht bij de kerk lag. Stralend gingen die kleine kinderen. Zij vergaten hun vader wel! Peter kon niet eens denken: Ik wou, dat ik ook eens een dubbeltje kreeg van den kapelaan. Hij dacht alleen: Loop maar hard. Maak dat je wegkomt. Ik wil weten, waarvoor ze mijn vader hebben weggehaald. Hij moest nu opeens denken aan die morgen, toen vader hem zijn halve boterham gaf. Het was net, of hij hem zag zitten in de keuken, met zijn handen op zijn knieën, zo stil en zo sterk. Zijn vader! Die smerige klabakken!

„Kom eens hier, Peter," zei de kapelaan.

Sluiten